Dagelijks Woord

Ochtenddienst

Voorbereiding Heilig Avondmaal

20 sep2026 10:00

Ds. J.R. van Vugt

Liturgie

Psalmen

  1. Psalm 68:7 (introïtuspsalm - over duiven)
  2. Psalm 74:18-19 (na de Wet van God)
  3. Psalm 123:1 (na het lezen van het eerste deel van het Formulier)
  4. Psalm 56:1-2 (voor de preek)
  5. Psalm 34:1 en 2 (als antwoord op de preek)
  6. Psalm 27:1 en 2

Orgelspel: ‘Genadig Heere, Die al mijn zwakheid kent’ (vers 1-4)

Schriftlezing

1 Samuël 21:10-15 | Psalm 56

Prediking

Thema: Vertrouwen op de HEERE

  1. Bestreden
  2. Bevestigd

Preektekst: Psalm 56:1-6

Samenvatting

Psalm 56 gaat over het vertrouwen van David in de HEERE, zijn God. Omdat geloven vertrouwen is, liggen geloven en vertrouwen dicht bijeen. Het Griekse woord voor geloof/geloven is “pistis” (werkwoord pisteuo) = vertrouwen. Dat geloof en vertrouwen wil God door Zijn Avondmaal versterken. Dat is nodig, want dat vertrouwen wordt ook in het leven van het geloof aangevochten en bestreden. Dat lezen we in psalm 56. Voor de kinderen is het ook een mooie psalm, want gekoppeld aan een bepaalde geschiedenis in het leven van David. Deze geschiedenis kunnen we lezen in 1 Samuël 21:10-15.

JR van Vugt vdm

Voor de in de kerkdienst genoemde collecte kan bijgedragen worden op rekeningnummer NL13 RBRB 069.20.72.004 onder vermelding van ‘collecte’.

Bekijk de uitzending op YouTube. Deze zal een kwartier voor aanvang van de dienst live gaan uitzenden.

Vragen voor de kinderen

  1. Probeer eens te zeggen wat het betekent dat je
    1. op iemand of iets vertrouwt?
    2. op de HEERE vertrouwt?
  2. David vertrouwt op de Heere, zegt hij in psalm 56. Daar is in de geschiedenis van 1 Samuël 21 weinig te zien toch? Hoe kan hij dat dan toch zo zeggen?
  3. Op Wie of Wat vertrouw jij in het leven?
  4. Is dat makkelijk / moeilijk?
  5. Denk jij wel eens na over het Heilig Avondmaal?
    1. Waarom heet dat een Heilig Maal (= Maaltijd)?
    2. Wie heeft dat ingesteld? En wanneer is deze maaltijd ingesteld?
    3. Is dat belangrijk om te weten?
  6. Zou jij ook het Avondmaal kunnen vieren? Wat heb je daarvoor nodig?
  7. Zou je het ook willen?
  8. Waarom bereiden we ons een week lang voor op het Heilig Avondmaal?
  9. Probeer eens te zeggen waarom het Avondmaal zo belangrijk en zo mooi is?

Vragen voor jongeren en volwassenen

  1. Een aantal psalmen die we zingen gaan over een duif. Waarom? (lees kanttekening 2)
  2. Probeer eens - met het beeld van de duif in gedachten - de eerste 5 verzen opnieuw te lezen. Wat roept dit beeld dan op?
  3. David vertrouwt op de Heere, zegt hij in psalm 56. Daar is in de geschiedenis van 1 Samuël 21 weinig te zien toch? Hoe kan hij dat dan toch zo zeggen?
  4. David spreekt over mensen / bestrijders / verspieders. Wie bedoelt hij? Wie of wat zijn uw/jouw bestrijders?
  5. Mag je dit ook geestelijk uitleggen, toegepast op een week van voorbereiding HA?
  6. Ik vertrouw op God en Zijn Woord. Wat betekent dat volgens kanttekening 9?
  7. Wat is uw en jouw troost? Lees ook v/a 21 van de Heidelbergse Catechismus!
  8. Aan welke belofte(n) heeft u / heb jij in een week van voorbereiding houvast / troost?
  9. Wat zegt psalm 56 over (het lijden van) Jezus?

Gelezen (Spurgeon Archief - via Internet)

Het is mooi om te zien hoe de gevoelige duifachtige geest van de psalmist naar de gevoeligste Instantie vlucht om hulp in het gevaar. De zondaren die tegen ons tekeergaan, moeten onze mond openen tot gebed. Wij mogen de wreedheid van mensen aanvoeren als argument voor de goddelijke tussenkomst; een vader is snel gealarmeerd wanneer zijn kinderen schandelijk worden behandeld. David heeft de leider van zijn tegenstanders op het oog en legt zijn klacht tegen hem op de juiste plaats neer. Als wij op deze manier onze bede tegen een mens mogen richten, mag het des te meer tegen die grote vijand van de zielen, de duivel. Wij vragen de Heere ons onze schulden te vergeven, wat een andere manier is om te zeggen: ‘Wees mij genadig, o God’. Daarna zeggen we: ‘Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze’. Hoe heviger de aanval van satan, des te krachtiger onze bede om verlossing.

David was geen opschepper, hij beweert niet dat hij nooit bang is, en hij was geen botte stoïcijn, zonder vrees wegens gebrek aan gevoel. David was zo verstandig dat de domme achteloosheid van de onwetendheid geen greep op hem had; hij zag de dreiging van het gevaar, en was bang. Wij zijn mensen, en daarom kunnen we ten val komen; wij zijn zwak, en daarom niet in staat het te voorkomen; wij zijn zondige mensen, en daarom is onze val verdiend, en om al deze redenen zijn wij bang. Maar de geestelijke toestand van de psalmist was complex – hij vreesde, maar niet geheel en al, want hij voegt eraan toe: ‘Ik zal op U vertrouwen’. Het is dus mogelijk dat vrees en vertrouwen op hetzelfde moment in ons wonen. Wij zijn vreemde wezens, en onze ervaring in het goddelijk leven is nog vreemder.

We bevinden ons vaak in de schemer, waarin licht en donker samengaan, en dan is het moeilijk te zeggen welke van beide overheerst. Het is een heilige vrees die ons tot vertrouwen aanzet. Niet-wedergeboren vrees drijft van God weg, goedgunstige vrees drijft ons naar Hem toe. Als ik een mens vrees, hoef ik alleen maar op God te vertrouwen, dan heb ik het beste tegengif. Vertrouwen hebben als er geen reden tot vrees is, is alleen in naam geloof; zich op God verlaten als er talrijke en dringende redenen voor ontsteltenis zijn, is het zegevierende geloof van Gods uitverkorenen. Hoewel het vers de vorm van een besluit heeft, werd het een feit in Davids leven; laten ook wij in ons leven zo te werk gaan. Of de vrees nu van buitenaf of van binnenuit komt, uit het verleden, het heden of uit de toekomst, van mensen of duivels, laten wij het geloof bewaren, en wij zullen al spoedig weer moed vatten.

Gezamenlijk en alleen behoren wij onze rust te vinden in God. Als wij het geloof geoefend hebben, wordt de vrees uitgebannen en volgt de heilige overwinning, zodat de ziel vraagt: ‘Wat zou mij de mens doen?’ Ja, wat? Het kan mij niet echt schaden; al zijn kwaadaardigheid zal in mijn belang worden tenietgedaan.

Overweging: De mens is vlees, het vlees is gras – Heere, in Uw naam trotseer ik de uiterste toorn van het vlees.

Tot Slot (M. Henry & Studiebijbel Online)

In deze psalm werpt David zich door zijn geloof in handen van God, zelfs toen hij zich door zijn angst en dwaasheid in de handen van de Filistijnen had geworpen, 1 Sam. 21:10, 11.

De dichter reikt de manier aan waarop angst moet worden beantwoord, namelijk met vertrouwen op God. De realiteit van de dreiging van vijanden wordt nergens gebagatelliseerd of weggeredeneerd. Er is gevaar, er zijn vijanden en het leven van de dichter staat op het spel. Toch verliest hij zich niet in de angst. Hij vormt een pastoraal voorbeeld voor allen die zich in zijn situatie kunnen herkennen. Het is alsof hij door de herhaalde afwisseling van angst en vertrouwen aanspoort om reële angst steeds weer te pareren met gerichtheid op God en vertrouwen in Hem. De wetenschap dat God ver boven zijn schepselen verheven is, biedt de mogelijkheid de angst te relativeren. Vanuit de geloofsrelatie kan gezegd worden: wat kan een mens, een schepsel mij doen, als de Schepper aan mijn kant staat? Het antwoord op deze retorische vraag is: ‘niets’. Het vertrouwen wordt gevoed door het woord van God, dat bekend gemaakt was aan de dichter. God openbaart zich en maakt zijn wil bekend, zodat ook wij ons aan dat woord van God kunnen vasthouden in tijden van angst en nood.

  • © hersteld hervormde kerk 2026